De anatomie van een Wubbeloqtje
Elk Wubbeloqtje bestaat uit vijf onderdelen. Samen zorgen ze voor de drie dingen die een Wubbeloqtje typeren: wiebelen, tikken en terug rechtop komen.
| Onderdeel | Functie | Waar let je op? |
|---|---|---|
| Kruin | Bovenkant, geeft het silhouet | Licht houden: gewicht bovenaan maakt het wiebelen onrustig |
| Gezichtje | Twee stippen, geen mond | Symmetrisch en op ongeveer een derde van de hoogte |
| Buikje | Hol lijf, klankkast voor het tikje | Hoe dunner de wand, hoe helderder de tik |
| Qt-kamer | Holte met twee tikbolletjes | Net groot genoeg om de bolletjes vrij te laten rollen |
| Wieg | Bolle, verzwaarde bodem | Perfect rond en zo zwaar mogelijk |
Waarom komt een Wubbeloqtje altijd rechtop?
Het geheim zit in het zwaartepunt. Bij een Wubbeloqtje zit bijna al het gewicht in de wieg, helemaal onderaan. Het buikje en de kruin zijn hol en licht.
Duw je het figuurtje opzij, dan rolt het over zijn bolle bodem. Daardoor komt het zwaartepunt een klein beetje hoger te liggen. Een voorwerp wil altijd naar de laagste, stabielste toestand, en die is bij een Wubbeloqtje: kaarsrecht. De zwaartekracht trekt het dus terug, het schiet een beetje door, zwaait terug, en zo ontstaat de typische wiebelbeweging.
Vuistregel van makers: minstens twee derde van het totale gewicht moet in de onderste kwart van het Wubbeloqtje zitten. Anders wordt de wiebel traag en ‘dronken’.
Waar komt het qt-tikje vandaan?
In het buikje, net boven de wieg, zit de qt-kamer. Daarin liggen twee kleine bolletjes van hout, glas of keramiek. Bij elke zwaai rollen ze naar de andere kant en tikken ze tegen elkaar en tegen de wand: qt. Omdat het buikje hol is, werkt het als een klankkast.
Het geluid verschilt per materiaal:
- Hout geeft een warme, doffe tik. Typisch voor het houten Wubbeloqtje.
- Keramiek tikt helder, bijna als een klokje.
- Vilt dempt de tik tot een zacht gefluister. Ideaal voor een vilten Wubbeloqtje in de babykamer.
Terugveertijd en de Regel van Drie
Kenners beoordelen een Wubbeloqtje op twee meetbare eigenschappen:
Terugveertijd
De tijd tussen de duw en het moment waarop het Wubbeloqtje helemaal stilstaat. Bij een klassiek exemplaar ligt die tussen 4 en 7 seconden. Korter voelt ‘kortaf’, langer voelt ‘zeurderig’.
De Regel van Drie
Een goed Wubbeloqtje tikt minstens drie keer na één gewone duw. Tikt het maar één of twee keer, dan is de qt-kamer te krap of de wieg te licht. Makers gebruiken deze test als laatste stap in het stappenplan om een Wubbeloqtje te maken.
Wiebelhoek: hoe ver kan het kantelen?
De maximale hoek waarover een Wubbeloqtje kan kantelen en toch terugkomt, heet de wiebelhoek. Bij de meeste Wubbeloqtjes is dat zo'n 60 graden. Een extra bolle wieg vergroot de wiebelhoek, een plattere wieg maakt het figuurtje rustiger. Tuinexemplaren hebben bewust een grote wiebelhoek, zodat ze mee kunnen bewegen met de wind (zie tuin-Wubbeloqtje).
Wil je zelf experimenteren met gewicht, wieg en qt-kamer? Op de pagina materialen en gereedschap lees je welk gewichtje en welke bolletjes het best werken.
Veelgestelde vragen
Waarom valt een Wubbeloqtje niet om?
Het zwaartepunt ligt heel laag, in de verzwaarde wieg. Elke keer dat je het kantelt, komt dat zwaartepunt hoger te liggen. De zwaartekracht trekt het dan terug naar de laagste positie: rechtop.
Hoe lang wiebelt een Wubbeloqtje?
Een goed klassiek Wubbeloqtje heeft een terugveertijd van 4 tot 7 seconden. Mini-Wubbeloqtjes stoppen sneller, tuin-Wubbeloqtjes wiebelen langer.
Mijn Wubbeloqtje tikt niet meer, wat nu?
Meestal zitten de tikbolletjes vast door vocht of stof. Lees in verzorging van je Wubbeloqtje hoe je dat voorzichtig oplost zonder de qt-kamer te openen.